mihai.punt.nl
Abonneren
Abonneer je nu voor nieuwe artikelen op deze website!
Laatste reacties
    test
     
    Karl Friedrich Hieronymus Baron von Münchhausen revisited

    Ter intro

    Grote filosofen hebben het talent om via semantische pirouettes of goochelredeneringen het resultaat van een betoog om te buigen tot conclusies ver van mogelijk onplezierige gedachten. Als determinist zou Spinoza consequent één enkele conclusie moeten trekken: de vrijheid heeft niets te zoeken in een wetmatig universum. In plaats daarvan, sleutelt hij in “Ethica” op twee manieren aan deze conclusie. Hij maakt het eerst mogelijk voor God om vrij te zijn door de vrijheid te dwingen met behulp van de definitie in een procrustesbed te slapen. Daarna biedt hij ook de (wijze) mens een surrogaat van vrijheid aan. Het lijkt me onontkoombaar dat de lezer van de “Ethica” met moeilijke vragen achterblijft als hij het determinisme van Spinoza met zijn genoemde gevallen van vrijheid probeert te verenigen. En om de lezer niet langer in suspense te laten wachten, laat ik maar duidelijk maken wat ik van plan ben.

     

    Ik wil de lezer door vier “bullets” jassen. Eerst zal ik een beknopte uitleg geven van het pad waarop Spinoza naar zijn vrijheidconcept wandelt. Vervolgens zal ik laten zien hoe Spinoza zijn vrijheidsdefinitie op God los laat. Daarna op welke manier hij het mogelijk maakt voor de (wijze) man om van een bepaalde vrijheid te genieten. Als laatste, de laatste keer heeft dat me zelfs punten voor mijn paper gekost, kan ik me er niet van onthouden om eventjes tegen de scheen van een dode filosoof te schoppen. Ik moet er ook een beetje lol in hebben, toch?

    Wat is nou eenmaal vrijheid?

    Spinoza veronderstelt dat werkelijkheid en begrip samenvallen (Scruton, 2000, 47), “zodat relaties tussen voorstellingen precies overeenstemmen met relaties in de werkelijkheid.” Hij zegt dat "kennis van een gevolg afhangt van de kennis van de oorzaak en deze in zich sluit” (Ethica, I, Axioma 4). Dat heeft als gevolg dat in de fysische wereld alles noodzakelijk volgt uit een oorzaak, zoals in de wiskunde. Door dit te zeggen, heeft de lezer de indruk dat het nou eenmaal, al op pagina twee, afgelopen moet zijn met de vrijheid. Want wie zou durven beweren dat hij een wiskundige is, die vrij is om te bepalen wat de resultaten van zijn sommetjes gaan worden? Heeft ooit iemand de vrijheid gehad om tot de conclusie te komen dat 2 + 2 iets anders dan 4 zou zijn? Hier komt de aap uit de mouw en Spinoza schotelt ons een definitie van de vrijheid voor, waarvan hij meent dat het is wat ‘men’ over vrijheid denkt. Spinoza geeft in weinig en heel heldere woorden zijn definitie weer:

     
    “Men noemt ‘vrij’ iets wat alleen krachtens de noodzaak van zijn eigen natuur bestaat en dat alleen door zichzelf tot handelen aangezet wordt. Noodzakelijk, of liever ‘gedwongen’ noemt men iets wat door een andere zaak tot een welbepaalde wijze van bestaan en handelen wordt aangezet.” (Ethica, I, Definitie 7)

     

    Is God nou vrij?  

    Is God dan vrij of niet? Wel, Spinoza beredeneert dat alles wat bestaat, niets anders kan zijn dan één enkele substantie, met een oneindig aantal attributen. Deze substantie noemt hij God (en tegelijkertijd Natuur). Buiten deze substantie bestaat er niets. En als er niets buiten deze substantie bestaat, dan is er niets dat invloed op deze substantie kan hebben. Want volgens Spinoza is iets ofwel van buiten beïnvloed, door de acties van andere dingen/krachten, of door krachten van binnenuit. En als er niets buiten Natuur/God bestaat dan blijft er niets over dan de interne krachten/wetten die bepalen wat met de Natuur/God gebeurt. Betekent dat dat God willekeurig tussen verschillende mogelijkheden kan kiezen? Nee, want God handelt noodzakelijkerwijs volgens de volkomenheid van zijn interne wetten. En als een oorzaak in de wereld van de voorstellingen noodzakelijk tot zijn gevolg leidt, dan gebeurt hetzelfde in de fysische wereld. Een oorzaak die door niets anders geremd wordt, zal zich volledig tot zijn totale gevolg ontwikkelen. Zo zal God noodzakelijk doen wat in zijn natuur ligt. Desondanks is hij toch vrij want hij bestaat alleen krachtens de noodzaak van zijn eigen natuur en wordt alleen door zichzelf tot handelen aangezet. Dus God is een soort Baron Von Munchausen die zichzelf, aan zijn eigen haar trekkend, uit het moeras optilt. Maar laten we nu naar ons tweede punt gaan.

    Is de wijze man nou vrij?

    Nou nee, niet echt. Of toch soms? We weten allemaal dat de mens, zelfs de wijze mens geen God is of geen Natuur, maar onderdeel hiervan. Spinoza verwerpt de vrijheid van de mens zoals gedefinieerd door Descartes, want dat zou de mens een staat in de staat maken. De mens is, volgens Spinoza, onderdeel van de natuur en is daardoor noodzakelijk onderworpen aan de natuurwetten.

    Alles wat zich in de natuur bevindt is onderworpen aan constante veranderingen, maar er zijn dingen die een inherente weerstand hebben tegen deze veranderingen. Zij streven ernaar om in hun eigen zijn te volharden (conatus). Deze conatus is de essentie van deze dingen en hoe meer conatus een object heeft hoe meer het van zichzelf afhangt. Dus des te meer onafhankelijkheid een dergelijk object heeft.

    De levende wezens hebben het meeste conatus. Het streven van het lichaam is ook het streven van de geest. Dat betekent dat “de geest voor onbepaalde duur in zijn bestaan tracht te volharden en zich van dit streven bewust is” (Ethica III, stelling 9)
     
    Wat ook een rol speelt in de menselijke vrijheid is het actief zijn van de geest. Actief zijn betekent voor Spinoza meer vrijheid hebben dan passief zijn. Als de geest een adequate voorstelling (of inzicht) heeft dan is hij actief. Voor zover de geest een onadequate voorstelling heeft, is hij onderworpen aan determinisme. Een adequate voorstelling brengt ons van een passieve toestand in een actieve toestand. Vrijheid is uiteindelijk adequaat inzicht. Omdat adequaat inzicht het mogelijk maakt begeerten te hebben die uitsluitend uit onze eigen natuur
    voortkomen. Dat komt overeen met Spinoza’s definitie van vrijheid.
     
    Voor zover de mentale toestanden van binnenuit veroorzaakt worden, door de conatus, zijn we actief en hoe actiever we zijn, hoe meer vrijheid we bezitten. De geest is actief voorzover deze bevrijd is van de invloed van dingen waarvan hij geen adequate voorstellingen heeft. Deze adequaatheid is voor Spinoza gelijk aan macht. Hoe meer adequaatheid, hoe meer macht en dus hoe meer vrijheid.
     
    In het kort: “Vrijheid is geen vrijheid van noodzakelijkheid, maar juist het bewustzijn van noodzakelijkheid.” (Scruton, 2000, 104) Vrijheid ligt met andere woorden ook in het berusten (aquesentia) in de noodzakelijkheid.
     
    Al valt het buiten het bereik van dit werkstuk om iets over de politieke vrijheid te vertellen toch wil ik twee woorden daaraan besteden. Roger Scruton vat politieke vrijheid heel mooi samen: “Aangezien het denken door zijn eigen wetten wordt beheerst, en de mens niet tot conclusies wordt gedwongen door de macht van de overheid maar door de goddelijke noodzaak van de rede, ligt er iets absurds in de poging om het denken door middel van wetten te controleren.” (Scruton, 2000, 114) Wat we wel kunnen opmerken is dat er een parallel lijkt te zijn tussen de manier waarop de wijze zich aan de natuurwetten onderwerpt en de manier waarop hij dat aan de aardse wetten doet. De wijze man begrijpt dat de wetten van de soeverein noodzakelijk zijn om de vrede en het welzijn van het volk te bevorderen en daarom legt de wijze man zich neer bij deze wetten.
     
    Ik heb het tot nu toe op een superminimalistische manier de vrijheid, God’s vrijheid en vrijheid van de wijze proberen te verduidelijken. Dat heeft als voordeel dat er nog wat ruimte over blijft om me in het leuke gedeelte van het werkstuk uit te leven.  

    Noodzakelijke vragen

    De definitie van vrijheid en de toepassing op God is niet helemaal onproblematisch. Stel je het volgende gedachte experiment voor: Volgens Spinoza is alles wat bestaat een deel van God/Natuur. Alles wat denkbaar is is mogelijk en alles wat mogelijk is bestaat volgens Spinoza noodzakelijk. Tegelijkertijd is alles zoals het nu is noodzakelijk zo omdat het zo denkbaar is en niet anders. Laten we voor een moment een truc toepassen en bedenken dat het ook anders had kunnen zijn. Stel je voor dat de hele wereld/Natuur/God alleen een menselijke gedaante bestond en één muur. Er bestaat dus alleen één mens en één muur. Buiten de mens en de muur bestaat niets en samen zijn ze de Natuur/God van Spinoza. Stel je voor dat krachtens de noodzaak van zijn eigen natuur van deze wereld de bestaande mens in deze wereld niets anders zou doen dan zichzelf voortdurend met het hoofd tegen de muur te slaan. Geen eten, slapen, poepen en niets anders dan de hele dag “headbangen”.
     
    Dag in, dag uit hetzelfde hoofd crasht zichzelf tegen hetzelfde punt op de muur. Het zou zelfs mogelijk zijn dat zijn bloed rond zou spetteren en zelfs dat men, als gevolg van dit noodzakelijke lot, de grens tussen leven en dood zou passeren. Het maakt niet uit of de enige bestaande mens (of de muur zelf) deze situatie als onplezierig zou ervaren. Als alles in deze wereld gebeurt volgens de noodzakelijke wetten van zijn eigen natuur, dan zou Spinoza erkennen dat deze God/Wereld vrij is.
     
    Vrij zijn associëren we met een bepaalde vorm van geluk of tevredenheid. We streven allemaal naar vrijheid, in de hoop dat, als we eenmaal de vrijheid hebben bereikt, we een bepaalde satisfactie zullen beleven, of tenminste het ongemak van niet vrij zijn achter ons zullen laten. De mens en de muur (tenminste als de muur iets te zeggen zou hebben) in onze experimentele wereld zouden volgens mij geen gevoel van vrijheid of voldoening beleven. Alleen voor de mens, en dat zullen we later behandelen, als hij wijs is, zou deze situatie, Spinozistisch, toch als een toestand van vrijheid beschouwd moeten worden. Het feit dat de muur en de mens zich in een ongemakkelijke situatie bevinden, die niet als vrijheid beschouwd kan worden, zou voor Spinoza niet het punt zijn. Voor hem zou de totaliteit van deze wereld, de zogenaamde Natuur/God, vrij zijn. Maar wat voor zin heeft deze vrijheid voor de Natuur/God? De Natuur/God van Spinoza heeft niet dezelfde “intellectuele” eigenschappen als de mens, en als gevolg daarvan, apprecieert zij de vrijheid niet op dezelfde manier als een mens (of zelfs als een dier). De Natuur/God beleeft geen plezier, geluk, voldoening of gevoel van ontlasting door deze vrijheid. Wat voor zin heeft dan de vrijheid van de Natuur/God als deze niet geapprecieerd wordt, als deze vrijheid geen waarde heeft?
     
    Maar ik heb enigszins vals gespeeld door mijn imaginaire wereld zo beperkt te bedenken.
    Spinoza zou het misschien niet mee eens zijn door te zeggen dat alles wat denkbaar is noodzakelijk bestaat en dat er meer denkbaar zou zijn dan een mens en een muur. De echte wereld is immers veel rijker. Maar waarom zou wat denkbaar is stoppen bij wat er nu is? Waarom zou het niet denkbaar zijn dat er zeemeerminnen bestaan? Volgens Spinoza kan het bestaan van een bepaald iets alleen door twee factoren voorkomen worden. Iets bestaan noodzakelijk als er geen logische contradictie in de definitie van het ding zelf schuilt en als niets van buiten kan voorkomen dat het betreffende ding bestaat. Als tegenvoorbeeld lijkt het me dat een zeemeermin aan de bovengenoemde eisen van het bestaan voldoet. Het idee van een zeemeermin bevat geen logische contradictie en er lijkt me op het eerste gezicht geen enkele externe kracht, natuurwet of ding te bestaan, die het bestaan van een zeemeermin zou kunnen voorkomen. Dus zeemeerminnen zijn denkbaar en als ze denkbaar zijn, dan bestaan ze ook noodzakelijk, tenminste als we de redenering van Spinoza goed hebben gevolgd.
     
    Met andere woorden, als Spinoza onze voorstelling van de wereld als één mens en één muur zou willen weerleggen, via een argument dat er veel meer denkbaar is dan wat in dit denkexperiment bestaat, dan kunnen we ook een bezwaar  inbrengen tegen Spinoza’s wereld door te zeggen dat er veel meer denkbaar is dan wat nu in de actuele wereld, zoals we die kennen, bestaat.
     
    We hebben gezien dat God’s vrijheid nutteloos is want hij apprecieert deze vrijheid toch niet. Hoe bevredigend is de vrijheid van de wijze eigenlijk? Als ik mijzelf noodzakelijk voortdurend met mijn kop tegen een muur moet slaan, hoe gelukkig kan ik dan zijn? Berust er enige verlichting van mijn pijn in het feit dat ik verlicht in mijn situatie berust? Helpt het tegen de koppijn dat ik een adequate voorstelling heb van de muur, van mijn lichaam en van mijn bestaan als tandwieltje in een machinerie, die noodzakelijk volgens haar eigen volmaakte wetten functioneert?

    Warme melk voordat we gaan slapen

    Ik heb de indruk dat Spinoza het idee van vrijheid van een noodzakelijke ondergang wil redden. Spinoza’s God is vrij om te doen wat hij moet doen. Hij heeft niets aan die vrijheid want alleen een mens (of een dier) zal van zijn vrijheid genieten en zal die belangrijk vinden. Spinoza’s wijze moet berusten in zijn, misschien geprivilegieerde, deelname aan het goddelijke en zijn calqueerpapierkopie van de goddelijke vrijheid, als palliatieve placebo tegen de pijn die de noodzakelijkheid noodzakelijkerwijs veroorzaakt. Aaaaah-man!

    Reacties

    Commentaar
    Jouw naam/bijnaam
    Website url
    E-mail
    Je Punt profiel
    Hou mij op de hoogte
    Ik wil op de hoogte gehouden worden
    Dit is een verplicht veld
    Domeinregistratie en hosting via mijndomein.nl