Abonneer je nu voor nieuwe artikelen op deze website!
Laatste reacties
    Peter Louter de leugenaar, deel 3

    Peter Louter de leugenaar, deel 3

    Peter Louter schreef een blog over de positie van de vrouw volgens Tariq Ramadan. Als we naar de citaten kijken, ontdekken we dat Peter ons voor de zoveelste keer op de verkeerde been zet.


    Met deze woorden zet Peter de toon aan: "De ten onrechte voor liberaal gehouden Tariq Ramadan is in feite een islam-activist en neo-fundamentalist…Het is ook vanuit deze visie dat hij naar de positie van vrouwen kijkt."


    Peter's eerste onvolledig citaat van Ramadan is: 'Veel vrouwen komen trouwens op voor hun recht gerespecteerd te worden in hun geloofspraktijk door een hoofddoek te dragen of door de zichtbare tekenen van zedelijkheid waarmee zij willen worden benaderd.' Hiermee suggereert Peter dat Ramadan voor de vrouwen slechts een hoofddoek voorziet, maar Peter citeert niet de volledige zin waar het staat: "but their faithfulness to Islamic rules does not prevent them from having completely Western tastes when it comes to the style or color of their clothing." Sterker nog, een paar zinnen verderop zegt Ramadan het volgende: "It is interesting to note that many Muslim women, both veiled and unveiled, work together in several organizations respectful of each other's personal choices: this development is important because it is a step toward acceptance of the opinions of the other and the promotion of a much needed internal dialogue." (p. 142)


    Dus terwijl Peter suggereert dat de moslimas slechts het recht op het dragen van een hoofddoek in het Westen moeten opeisen, in werkelijkheid keurt Ramadan tegelijkertijd hun Westerse smaak in de kledingsstijl en kleur goed. Bovendien dienen zowel de vrouwen met hoofddoek als de vrouwen zonder hoofddoek elkaar's persoonlijke keuzes te respecteren, als acceptatie van anderman's opinie en dialoogpromotie.


    Peter schrijft dat Ramadan "veroordeelt de ongelijkwaardige behandeling van jongens en meisjes" maar slechts een paar zinnen verderop waarschuwt hij ons om niet bedrogen te worden door Ramadan's mooie woorden: "Niet kritische lezers zullen zijn pleidooi voor 'islamitisch feminisme' kunnen waarderen. Zij zullen echter een poosje stil moeten staan bij een zin over het ideaal van gelijkheid van mannen en vrouwen voor Allah.  Die gelijkheid voor Allah is het bekende doekje voor het bloeden voor vrouwen die zich neer moeten leggen bij de ongelijkheid die de islamitische leer en wetten voorschrijven. De man is en blijft het hoofd van het gezin en aan hem is ze onderdanigheid en verantwoording verschuldigd. In het familierecht, het erfrecht, het huwelijksrecht en het strafrecht is ze maar een half mens. In het strafrecht is haar getuigenis bijvoorbeeld de helft waard van die van een man. De klassieke verdediging van deze positie komt voort uit het door Allah aangebrachte verschil tussen man en vrouw. Door haar vrouwelijkheid (lees: emotionaliteit) is ze minder waard en minder betrouwbaar dan een man….Aan deze regels morrelt Ramadan niet."


    Laten we deze stellingen punt voor punt analyseren. Ten eerste zie ik nergens in het hoofdstuk dat de man het hoofd van het gezin wordt gezien, dat de vrouw hem onderdanigheid en verantwoording verschuldigd is. En is de gelijkheid slechts voor Allah, als een doekje voor het bloeden? De onderstaande citaten laten een ander beeld zien, Ramadan bekritiseert de vrouwendiscriminatie in alle domeinen:


    "To believe that nothing in the message of Islam justifies discrimination against women is one thing; to say that they do not suffer any discrimination in Western (or Eastern) Muslim communities is another. Any look at these communities that could be called objective will reveal that we are far from the ideal of equality before God, complementarity in family and social relations, and financial independence, behind which many ulama and intellectuals hide by quoting verses and Prophetic traditions. This does not reflect the reality and to say otherwise would be a lie." (p.139)


    "In the minds of many Muslims, being faithful to Islamic teachings with regard to education for women, access to mosques, marriage and divorce, social and financial independence, and political participation means doing what was customary in their country of origin or what "the ulama from back there" used to say. Thus, we find parents justifying their unequal treatment of their sons and daughters (clearly discriminating against the latter) with regard to permissiveness, going out, and so on. Some in Europe and in the United States do not allow women to enter mosques, and if, by happy chance, there is a place for them, it is usually dilapidated and often even without a good sound system. Imams find "Islamic" justifications for "fast-track" marriages, without any preparatory official administrative procedures, leaving women without security or rights, abused and deceived by unscrupulous individuals. Divorce is made very difficult, even when it is clear that the woman is defending her most basic rights. Some women, with the knowledge of all around her, suffer violence and degradation while the Muslim community remains culpably silent and complicit, justifying its inaction and cowardice by reference to the Islamic injunction "not to get involved in what does not concern you." But demanding dignified treatment for women has nothing to do with unhealthy curiosity: the first does us honor, the second-to which the Prophetic injunction refers-is unworthy of us. One also finds all sorts of restrictions to do with women, such as the "Islamic" prohibition against their working, having social involvements, speaking in public, and engaging in politics. And what have we not heard about the impossibility of "mixing"!" (p.139-140)


    Als we ons Peter's woorden herinneren "[i]n het familierecht, het erfrecht, het huwelijksrecht en het strafrecht is ze maar een half mens." In tegenstelling met Peter’s bewering bekritiseert Ramadan de ongelijkheid in al deze domeinen.


    "But this is not a process that will set women against the oppression of men. In fact, we observe a different dynamic: scholars, intellectuals, and women together are now giving birth to a movement of women's liberation within and through Islam itself. Distancing themselves from the most restrictive interpretations, it is in the name of Islam itself that they declare, together with many men, their opposition to discriminatory cultural practices, to the false Islamic identity of certain regulations, and to violence within marriage and their respect for the rights of women in matters of divorce, property, custody, and so on." (p. 140-141)


    "The first concerns the conception of woman herself: if, until now, most of the classical texts concentrated on the role of woman as "child," "wife," or "mother," woman is now spoken of as "woman." This change of angle is not a mere detail: a real transformation in the conception of woman is at work in the revision of our way of speaking about her. We are now interested in her psychology and her spirituality, and we read the Qur'an with new eyes. We are still a long way from the end of our work in this area, but many men and women are working in this direction in the United States, Britain, France, Germany, and Spain, to name but a few countries. It is also worth noting the influential role of many women converts who are often thoroughly versed in the legal instruments and who carefully question the Muslim legal heritage, into which numerous Arab and Asian features have been surreptitiously introduced. As this work goes on, discussion moves to women's rights, decision making within couples (other than in terms of the confrontation between the rights and the responsibilities of the spouses), social involvement, and female participation in academic and political debate.


    The second axis of reform that is in process is the direct consequence of what we have just described. It is the emergence of a new discourse, firmly anchored in the Islamic sources but open to original female perspectives. What is particularly new is that this discourse is increasingly conducted by women themselves, because they study, express themselves and, more and more frequently, teach. They label themselves as Muslims, criticize erroneous interpretations, and use the scope for interpretation provided by the texts and the various opinions of the ulama of the reformist tradition to construct a discourse on Muslim women that calls them to an active, intelligent, and fair faithfulness-an Islamic faithfulness that sets them free before God and does not subject them to the masochistic imagery of either East or West.


    The last axis is the consequence of the first two, because it is the recognition of the necessary visibility of women. Their presence in mosques, at conferences and seminars, in Islamic organizations, in the public space, and in universities and places of work has become more and more substantial, and this visibility is a clear vindication as much of their right to be, and to be there, as of their right to express themselves." (p. 141-142)


    We kunnen hieruit concluderen dat tussen Peter Louter’s weergave en wat in Tariq Ramadan’s book staat, een enorm verschil zit. Hier zijn deel 1 en deel 2 van deze reeeks.


    De citaten komen uit Tariq Ramadan. Western Muslims and the future of Islam. Oxford University Press, 2004.


    Jouw naam/bijnaam
    Website url
    Je Punt profiel
    Hou mij op de hoogte
    Ik wil op de hoogte gehouden worden
    Dit is een verplicht veld
    Domeinregistratie en hosting via mijndomein.nl